Begrafenis van een onbekende

Eerste van vier columns voor de rubriek ‘Tranche de vie’ van De Standaard. Verschenen in november 2017.

Written by:

Ze zijn met vijf voor drie generaties: de weduwe, haar ­ dochter, de man van haar dochter, hun twee zonen. Als een wassend maansikkeltje staan ze rond de kist geplooid in de zijbeuk van de kerk. De eerste twee generaties kijken me enigszins verrast en twijfelachtig aan. Ze kennen me niet. Ik ben te jong en ­onbekend om afscheid te nemen van deze echtgenoot en ­vader. Het is ook waar: de man in de kist is me vreemd. Ik weet alleen dat hij de pepe is van een vriend van mij.

Hoewel dit niet mijn eerste keer is, vind ik het ook nu weer onbehaaglijk om de hele familie te moeten groeten. Het lijkt brutaal om als onbekende de intimiteit van rouwen te ver­storen. Wanneer (groot)ouders sterven, valt the origin of ­species weg. Ze zijn als steunmuren: vaak onzichtbaar maar altijd essentieel. Je haalt hen niet weg zonder instortings­gevaar. Bij hun dood worden de rangen als vanzelf gesloten en gaan ­familieleden in conclaaf, om houvast te vinden bij elkaar. Rouw hoeft geen pottenkijkers. Maar ik weet hoe het nu moet. Ik schud beleefd handen en mompel condoleanties tot ik mijn vriend kan omhelzen. Die omhelzing is een wachtwoord. Het is de hele reden waarom ik hier ben. Nu ben ik geen pottenkijker meer, maar een van hen.

Terwijl ik een plaats zoek, blijf ik me niettemin afvragen waarom ik het doe. Waarom blijf ik het land doorkruisen om knuffels te geven op begrafenissen van onbekenden?

Tot plots het beeld van die vijf mensen achter de kist, die petieterige kern van een hele familie, het antwoord met bruut geweld aan me opdringt. Ik word overspoeld door een verpletterend visioen: mijn eigen kind achter een kist. Ik strek mijn hals en hap naar adem. Mijn kindje … er staat niemand naast hem. Het product van gescheiden ouders, geen broers of zussen. Als hij mijn voorbeeld volgt en single blijft, en zelf geen papa wordt, staat hij binnen onafzienbare tijd ergens moederziel alleen in een portaal. De gedachte aan zijn eenzaamheid in groot verdriet, is ondraaglijk.

Ondertussen hebben de broers hun armen in elkaar gehaakt om samen de kist van hun grootvader de kerk in te dragen. Ik word gek. Wat hebben we gedaan? We kunnen toch geen kind alleen achterlaten op de wereld?

Maar dan valt mijn blik op mijn vriend en zijn gezin. Ik ken de glimlach die zijn vrouw hem geeft. Al talloze keren gaf ze die ook aan mij. De paniek in mijn hart zakt even snel als ze gekomen is. Het visioen in mijn hoofd neemt nu zachtere vormen aan. Ik zie kleur en mensen. Ik zie mijn kindje omringd. Door zij die er al bij waren bij zijn geboorte. Degenen waarmee we onze verjaardagen vieren en huizen verbouwen. De gezinnen die hun maaltijden met ons delen. De vrienden die hij nog moet maken. Ik moet hem leren zijn armen rond hen te leggen, prent ik mezelf in, zodat zij dat ook bij hem doen. Ineens is het me glashelder waarom ik dit doe: familie laat zich niet begrenzen door bloed. Als ik mijn zoon iets moet leren, is het dat.

‘Merci hé, moatje’, zegt mijn vriend na afloop buiten aan de kerk. ‘Dat is een kleintje’, verzeker ik hem.

Nog artikels

Op zoek naar een freelancer?

Last modified: 17 september 2024